Handboek 12-19

Inhoudsopgave

Sociale Kaart
  Hoofdstuk 20 Sport en sportblessures
 

Wat is het?
Het beoefenen van sport, of dat nu in wedstrijd verband is of bij de gymnastiek op school, geeft de meeste jeugdigen een plezierig gevoel.
Dit gevoel ontstaat doordat jongeren graag en veel bewegen en bij dat bewegen hun eigen grenzen willen leren kennen: hoe ver kan ik, hoe hoog en wanneer kan ik niet meer, ben ik echt moe.
Natuurlijk is er ook een categorie jongeren, die totaal niet geïnteresseerd is in sport en alles wat daarmee samenhangt. Hun belangstelling gaat een andere richting uit en hen dwingen tot een lidmaatschap van een sportclub heeft geen enkele zin. De gymnastieklessen op school is voor hen meer dan genoeg sport.
Dat sport goed is, zowel voor lichaam als geest, is tegenwoordig een vaststaand gegeven.
Dat geldt zowel voor gezonde als gehandicapte sporters. Voor gehandicapte jeugdigen is het van groot belang hun mogelijkheden zoveel mogelijk uit te buiten en ook het plezier van het bewegen te ervaren.
Bovendien is het mee kunnen doen met anderen, het niet uitgesloten zijn, voor hen ook zeer belangrijk. Dit geldt natuurlijk zeker ook voor de gymnastiek op school, wat de vakleerkracht wel extra begeleiding kost, zowel richting gehandicapte jeugdige als naar de rest van de groep.

In het algemeen geldt bij jeugdige sportbeoefenaren dat zij beschikken over een geringere bewegingservaring dan de volwassen sportbeoefenaar.
Het tekort aan coördinatie bij de uitvoering van moeilijke bewegingspatronen leidt nogal eens tot valpartijen, met alle gevolgen vandien.
Een goede technische uitvoering is een voorwaarde voor een goede sportbeoefening. Bij de jeugd moet dan ook training van techniek een centrale plaats innemen in het totale trainingsprogramma:
Gelukkig biedt de jeugdige leeftijd uitstekende voorwaarden voor het aanleren van de vereiste bewegingspatronen.

Hoe krijg je het?
In de relatie gezondheid en sport bij jeugdigen is het houdings- en bewegingsapparaat het meest kwetsbare deel van het lichaam. Bij de meeste takken van sport worden hieraan zeer hoge eisen gesteld.
Zowel acuut optredende piekbelastingen als chronische repeterende submaximale belastingen komt men bij de verschillende vormen van sportbeoefening regelmatig tegen.
Beide belastingvormen kunnen aanleiding geven tot blessures. Bij de piekbelasting (maximaal springen, gooien, trappen, werpen, slaan) zijn het meestal acute spier-, pees- en gewrichtsproblemen (spier-, pees- scheuringen, kneuzingen en gewrichtsverstuikingen). Bij chronische repeterende submaximale belasting meestal overbelastingsblessures (peesblessures, gewrichtsslijtage).
Het is daarom van groot belang de toestand van het houdings- en bewegingsapparaat zo goed mogelijk te ontwikkelen en ontwikkeld te houden voor het gewenste niveau van sportbeoefening. Hieraan moet dus, reeds vanaf jonge leeftijd, door een goede trainer veel aandacht aan besteed worden.
Verder kunnen blessures ontstaan door:

  • slecht schoeisel
  • slecht materiaal
  • slechte speeloppervlakken; te harde, te stroeve of te gladde vloer
  • geen of geen goede warming-up
  • contact met de tegenstander.

Een goede medische begeleiding is van belang voor een optimaal herstel bij een blessure.
Voor overbelasting van het hartvaatstelsel hoeft u bij jeugdigen niet bang te zijn. Er zijn slechts heel weinig jongeren voor wie sporten op dit gebied een groot risico inhoudt. Dat betreft dan bijna altijd aangeboren hart of vaatafwijkingen, die voor een gedeelte nog onbekend kunnen zijn. Dit zijn dan de jeugdigen, die van tevoren volledig gezond leken, maar dan volkomen onverwacht overlijden bij grote inspanning, Natuurlijk is dit een verschrikkelijk gebeuren, wat grote indruk maakt, maar wat jammer genoeg niet altijd te voorkomen is.

Wat kunt u als docent doen?
Blijft een jongere klachten houden na een blessure dan zou u als docent een bezoek aan een Sport Medisch Adviesbureau (SMA) zeker kunnen aanraden. Daar zijn mensen werkzaam met veel ervaring op het gebied van de sport en die kunnen dan ook goed onderbouwd advies geven om tot volledig herstel te komen.
Zoals reeds beschreven hoeft u voor overbelasting van het hartvaatstelsel bij jongeren niet bang te zijn. Klaagt een jongere tijdens inspanning echter over duizeligheid of onwelbevinden, dan is dat altijd reden tot verder, uitgebreid onderzoek.

Tot slot nog dit: sportadvisering wordt ook door jeugdartsen gegeven. Dus heeft u vragen op dit terrein, aarzel dan niet om uw eigen jeugdarts te bellen. Weet deze geen antwoord, dan kan hij/zij u altijd verder verwijzen.