Handboek 12-19

Inhoudsopgave

Sociale Kaart
  Hoofdstuk 5 Infectieziekten
 

5.1 Wat zijn infectieziekten?
5.2 Vaccinaties (inentingen)
5.3 Zieke kinderen in de school
5.4 Wanneer schakel je de GGD in?
5.5 Beschrijving van infectieziekten

5.6 Veel gestelde vragen aan de GGD

5.1. WAT ZIJN INFECTIEZIEKTEN

ziekteverwekkers
waarom wordt de een wel ziek en de ander niet?
weerstand

Infectieziekten zijn ziekten die veroorzaakt worden door micro-organismen. Dit zijn hele kleine, levende deeltjes zoals virussen en bacteriën. Ze worden meestal van de ene mens op de andere overgedragen. Dit kan op verschillende manieren: bijvoorbeeld door hoesten of via de handen. Soms worden ziekteverwekkers overgedragen van dieren naar mensen, denk maar aan hondsdolheid. Ook komt het voor dat mensen ziek worden van bacteriën die in straatvuil of water leven. Dit is het geval bij tetanus en Legionella.
In deze informatiemap zal echter met name aandacht worden besteed aan de infectieziekten die van mens op mens overdraagbaar zijn, omdat deze in kindercentra verreweg het meeste voorkomen.

5.1.1. Ziekteverwekkers

Er zijn verschillende soorten micro-organismen die ziekten kunnen veroorzaken.
Bacteriën zijn micro-organismen die niet met het blote oog zijn te zien. Over het algemeen kunnen bacteriën door medicijnen (antibiotica) worden gedood.
Virussen zijn nog kleiner dan bacteriën. Hij zijn niet gevoelig voor antibiotica. Een virusinfectie is daarom meestal niet met medicijnen te behandelen. Het lichaam moet de ziekte zelf overwinnen.
Parasieten zijn iets groter dan bacteriën. Hij zijn soms met het blote oog te zien en goed te bestrijden.
Schimmels zijn met het blote oog te zien als hij zich in grote aantallen vermenigvuldigd hebben. Ook hij zijn meestal goed te bestrijden.

5.1.2 Waarom word de ene persoon wel ziek en de ander niet?

Ieder mens komt elke dag met ontelbare micro-organismen in aanraking, meestal zonder ziek te worden.
Of je wel of niet ziek wordt is afhankelijk van:

  • De ziekmakende kracht van het micro-organisme. De meeste bacteriën, virussen, parasieten en schimmels zijn onschuldig.
  • Het aantal micro-organismen waarmee je besmet wordt. Hoe meer (ziekmakende) micro-organismen je tegenkomt, hoe groter de kans dat je ziek wordt.
  • Je weerstand tegen infectieziekten.

5.1.3 Weerstand

Als we met ziekteverwekkers in aanraking komen, probeert ons lichaam deze onschadelijk te maken. Dit lukt de ene keer beter dan de andere keer. Vaak is de weerstand van je lichaam de eerste keer dat het met een bepaalde ziekteverwekker in aanraking komt nog onvoldoende en word je ziek. Tijdens de ziekte gaat het lichaam echter antistoffen tegen de ziekte maken, die ervoor zorgen dat je beter wordt. Zolang je deze antistoffen in je lichaam houdt - soms is dat zelfs levenslang - krijg je dezelfde ziekte niet meer. Je bent dan immuun. Ook na inenting maakt het lichaam antistoffen die je tegen de betreffende ziekte beschermen. Daarnaast kan het gebeuren dat je een infectieziekte doormaakt zonder dat je ziekteverschijnselen hebt. Je merkt zelf dan niets, maar je lichaam gaat wel antistoffen maken. Deze antistoffen beschermen je dan later tegen de ziekte.
Kleine kinderen hebben nog weinig weerstand tegen infectieziekten. Daardoor zijn ze veel vaker ziek dan volwassenen. Het is een natuurlijk gegeven dat kinderen een aantal infecties moeten doormaken om hun weerstand op te bouwen. Het is daarom niet zinvol (en bovendien ook niet mogelijk) om alle contact met ziekteverwekkende micro-organismen te vermijden. Kinderen in de middelbare schoolleeftijd hebben hun weerstand al opgebouwd en lopen geen verhoogd risico op infecties.

5.2. VACCINATIES (INENTINGEN)

Weerstand tegen infectieziekten kan behalve door het doormaken van de ziekte ook worden opgebouwd door vaccinatie. Bij vaccinatie worden verzwakte of dode ziekteverwekkers of onderdelen daarvan in het lichaam gebracht, meestal door middel van een injectie. Als reactie daarop gaat ons lichaam antistoffen aanmaken. Deze antistoffen beschermen ons als we met de echte, levende ziekteverwekker in aanraking komen.
Tegen sommige ziekten moet meerdere malen worden ingeënt om voldoende antistoffen aan te maken. Ook is het soms nodig om de inenting na een aantal jaren te herhalen.

Rijksvaccinatieprogramma
Vaccinaties buiten het Rijksvaccinatieprogramma
Registratie van de vaccinatiestatus van kinderen
Ongevaccineerde kinderen op school

5.2.1 Rijksvaccinatieprogramma

In Nederland wordt in het kader van het 'Rijksvaccinatieprogramma' aan alle kinderen gratis vaccinatie aangeboden tegen een aantal infectieziekten die ernstig kunnen verlopen. De entadministratie roept de kinderen hiervoor automatisch op. De vaccinaties vinden plaats op het consultatiebureau, de GGD of in uitzonderingsgevallen bij de huisarts. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is in Nederland niet verplicht gesteld. Ouders kunnen bijvoorbeeld op grond van hun levensovertuiging besluiten om hun kinderen niet te laten inenten. Kinderen die, om welke reden dan ook, een of meer vaccinaties hebben gemist, kunnen in de meeste gevallen de gemiste inentingen later inhalen.
Kinderen die, om welke reden dan ook, een of meer vaccinaties hebben gemist, kunnen in de meeste gevallen de gemiste inentingen later inhalen. Het merendeel van de jongeren op de middelbare school zal echter de vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma al hebben ontvangen.

Het Rijksvaccinatieprogramma (2001) ziet er als volgt uit:

leeftijd vaccinatie

2 maanden DKTP 1 + Hib 1
3 maanden DKTP 2 + Hib 2
4 maanden DKTP 3 + Hib 3
11 maanden DKTP 4 + Hib 4
14 maanden BMR 1
4 jaar DTP 5 en aK
9 jaar DTP 6 + BMR 2

Uitleg afkortingen
DKTP = difterie, kinkhoest, tetanus, polio
DTP = difterie, tetanus, polio
BMR = bof, mazelen, rodehond
Hib = Haemophilus influenzae type b, (vorm van hersenvliesontsteking)
aK = acellulair kinkhoestvaccin (nieuw kinkhoestvaccin voor oudere kinderen)

Dit schema is het standaardschema. Er kunnen diverse redenen zijn om van dit schema af te wijken, bijvoorbeeld bij ernstige ziekte van het kind. Eventuele aanpassingen van het schema worden per kind bepaald door degene die vaccineert.

5.2.2 Vaccinaties buiten het Rijksvaccinatie-programma

Aan kinderen die een verhoogd risico hebben om bepaalde ziektes op te lopen worden soms - buiten het Rijksvaccinatieprogramma om - nog andere vaccinaties gegeven.
Zo kunnen kinderen die op vakantie gaan naar de tropen worden gevaccineerd tegen enkele tropenziekten. Kinderen die op familiebezoek gaan naar Turkije of Marokko kunnen worden gevaccineerd tegen hepatitis A. Kinderen met een of twee allochtone ouders krijgen een BCG-vaccinatie tegen tuberculose. En pasgeborenen van moeders die besmet zijn met hepatitis B worden gevaccineerd tegen hepatitis B.

5.2.3 Registratie van de vaccinatiestatus van de kinderen

Ondanks het feit dat in Nederland meer dan 95% van de kinderen deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma komen er incidenteel nog gevallen of soms zelfs epidemieën voor van kinkhoest, mazelen en polio. Als een dergelijk ziektegeval zich voordoet op een school is het belangrijk om te weten of de andere kinderen in de groep beschermd zijn tegen de ziekte. De provinciale entadministratie registreert van alle kinderen in de provincie welke inentingen uit het Rijksvaccinatieprogramma zij hebben gehad en wanneer. Ook de GGD (afdeling Jeugdgezondheidszorg) houdt van de kinderen waar zij contact mee hebben veelal bij tegen welke ziekten zij gevaccineerd zijn.

5.2.4 Ongevaccineerde kinderen op school

Het is mogelijk dat er kinderen op school zitten die niet of niet volledig zijn gevaccineerd. Als dit een bewuste keuze van de ouders betreft, kan en hoeft de schoolleiding daar verder niets aan te doen. Mochten er andere redenen zijn waarom het vaccinatieprogramma niet is afgemaakt, dan kan eventueel naar de GGD worden verwezen voor advies over een inhaalprogramma.
De aanwezigheid van ongevaccineerde kinderen levert in het algemeen geen extra risico op voor de andere (wel gevaccineerde) leerlingen omdat deze goed beschermd zijn. Voor zwangere leerkrachten kan er een gering extra risico zijn op rodehond. Bij zwangerschapswens kan door middel van bloedonderzoek gecontroleerd worden of de toekomstige zwangere beschermd is tegen rodehond. Voor nadere informatie hierover kan de leerkracht contact opnemen met de GGD of met haar huisarts of bedrijfsarts.
Ter bescherming van de ongevaccineerde kinderen zelf biedt de GGD altijd de mogelijkheid om zich alsnog te laten vaccineren. Dit is uiteraard extra van belang als er zich op school ziekten als polio of mazelen voordoen. Er moet dan wel rekening mee worden gehouden dat vaccinatie niet meteen de maximale bescherming biedt.

5.3. ZIEKE KINDEREN IN DE SCHOOL

Zieke kinderen
Afspraken met ouders over het beleid bij ziekte
Personen met een verhoogd risico op ernstig verloop van infectieziekten

5.3.1 Zieke kinderen

Kinderen gaan naar school om te leren. Een school is geen opvangcentrum en zeker niet berekend op de opvang van zieke kinderen. Ziekte is echter een nogal rekbaar begrip. Er kunnen daardoor discussies ontstaan of een kind met bepaalde ziekteverschijnselen naar school mag of thuis moet blijven. Bij de beslissing of een kind al dan niet naar school kan komen spelen twee aspecten een rol, namelijk het welbevinden van het zieke kind zelf en de gezondheid van de andere kinderen van de klas.

5.3.1.1 Welbevinden van het zieke kind

Een kind dat hoge koorts heeft, regelmatig overgeeft of duidelijk pijn lijdt is niet in staat om de lessen te volgen. Het heeft behoefte aan rust, verzorging en extra aandacht en kan het beste in een huiselijke omgeving worden opgevangen.
Daarentegen kan een kind met lichte ziekteverschijnselen zoals een snotneus of huiduitslag meestal wel normaal meedoen in de groep. Het ongemak dat het van deze verschijnselen ondervindt hoeft op school niet erger te zijn dan thuis.
Problemen ontstaan wanneer ouders en leerkracht een verschillende visie hebben op de ernst van de klachten en de mogelijkheid om ondanks deze klachten aan de lessen deel te nemen. Enerzijds kunnen de ouders hun zieke kind toch naar school sturen, anderzijds kan een kind met lichte klachten onnodig worden thuisgehouden. Goed overleg tussen leerkracht en ouders is in deze gevallen belangrijk. Eventueel kan hierbij de hulp van de arts infectieziekten of jeugdarts worden ingeroepen.

5.3.1.2 Gezondheid van de andere kinderen

Bij enkele besmettelijke ziekten - die ernstig kunnen verlopen - mag het zieke kind niet naar school komen omdat dan het risico voor de andere kinderen en leerkrachten om ook besmet te worden te groot is. Dit tijdelijk niet toelaten van zieke kinderen vanwege het besmettingsrisico voor anderen wordt 'wering' genoemd. Wering is alleen zinvol als besmetting van de andere kinderen nog niet heeft plaatsgevonden en niet op een andere manier te voorkomen is. Het weren van kinderen dient plaats te vinden in overleg met de GGD. In hoofdstuk 5.5. staat per ziekte vermeld of wering noodzakelijk is.

5.3.1.3 Wanneer moeten de ouders worden gewaarschuwd?

Als een kind duidelijk ziek is en niet meer met de les kan meedoen, neemt de school contact op met de ouders met het verzoek om het kind op te halen. Het is belangrijk om duidelijk te melden waarom het kind niet kan blijven en af te spreken hoe laat de ouders komen en wat er tot die tijd met het kind gebeurt. Om in geval van nood de ouders snel te kunnen bereiken, moet - zeker bij werkende ouders - vastgelegd zijn waar en hoe zij bereikbaar zijn.
Het kan ook gebeuren dat de leerkracht bij het kind bepaalde ziekteverschijnselen opmerkt die extra aandacht of medische behandeling vragen. Dit zal de leerkracht meestal kunnen bespreken als de ouders het kind na schooltijd komen ophalen. Eventueel kun de leerkracht de ouders ook bellen of het kind een briefje meegeven

5.3.1.4 Wanneer wordt er door school medische hulp ingeschakeld?

In principe zijn bij ziekte van een kind de ouders degenen die bepalen wat er moet gebeuren. Zij nemen de beslissing om al dan niet een arts te raadplegen. Alleen als er acuut gevaar dreigt schakelt de school direct medische hulp in. Voorbeelden van dergelijke gevallen zijn:
- een kind dat het plotseling benauwd krijgt,
- een kind dat bewusteloos raakt of niet meer op je reageert,
- een kind dat plotseling ernstig ziek lijkt,
- ernstige ongevallen.
Om chaos en paniek te voorkomen is het belangrijk dat in het team wordt afgesproken wie de arts waarschuwt, wie bij het zieke kind blijft en wie de rest van de groep opvangt. Is de huisarts niet bereikbaar, aarzel dan in noodsituaties niet om een ambulance te bellen. Vermeld daarbij altijd duidelijk de naam en het adres van de school.

5.3.2 Afspraken met ouders over het beleid bij ziekte

Om te voorkomen dat ziekte van het kind leidt tot onduidelijkheid tussen ouders en school is het belangrijk dat er goede afspraken zijn gemaakt over het beleid bij ziekte. Schriftelijke informatie hierover kan worden opgenomen in de schoolgids.
Algemene afspraken over het beleid bij ziekte van het kind

  • De procedure ten aanzien van het afmelden van een ziek kind door de ouders.
  • De redenen voor de school om een ziek kind te laten ophalen.

Afspraken over het beleid bij besmettelijke ziekten

  • De ouders melden besmettelijke ziekten van hun kind bij de school.
  • De directie overlegt zo nodig met de GGD, afdeling infectieziekten. De GGD wint met toestemming van de ouders eventueel nadere informatie in bij huisarts.
  • De GGD adviseert zo nodig de volgende maatregelen te nemen om verspreiding van de ziekte tegen te gaan
    o Het zieke kind niet toelaten vanwege het risico voor de overige kinderen (zelden).
    o Het zieke kind behandelen om verspreiding van de ziekte tegen te gaan.
    o De overige kinderen vaccineren of uit voorzorg medicijnen geven.
    o Extra aandacht besteden aan de hygiëne.
    o De ouders van andere kinderen informeren, zodat zij extra alert zijn op ziekteverschijnselen.

Vaak zijn er geen bijzondere maatregelen noodzakelijk..

5. 3.3 Personen met een verhoogd risico op ernstig verloop van infectieziekten

5.3.3.1 Kinderen met chronische ziekten of een stoornis in de afweer
Omdat er op scholen regelmatig besmettelijke ziekten voorkomen, is het goed om te weten of er in de groep kinderen zijn die extra risico lopen om ernstig ziek te worden als hij een infectie oplopen. Dit kan het geval zijn bij bepaalde ernstige chronische ziektes of bij een stoornis in de afweer. Per kind worden dergelijke medische bijzonderheden vastgelegd. De ouders kunnen dan gewaarschuwd worden als er infectieziekten geconstateerd zijn die voor hun kind een bijzonder risico geven. Zij kunnen dan in overleg met de behandelend kinderarts eventueel voorzorgsmaatregelen nemen of hun kind tijdelijk thuis houden.

5.3.3.2 Zwangeren
Er zijn enkele infectieziekten die bij zwangeren een verhoogd risico geven op een miskraam of aangeboren afwijkingen bij het kind. Dit betreft met name rodehond. Voor rode hond geldt dat als je de infectie hebt doorgemaakt je er de rest van je leven tegen beschermd bent. Dan is er dus ook geen risico voor de zwangerschap. Ook als je ingeënt bent tegen de ziekte loop je geen risico meer. De kans dat er rode hond voorkomt op een middelbare school is zeer klein. Mocht het zich toch voordoen dan kun je met de GGD overleggen over het verdere beleid. De GGD zal nagaan of het daadwerkelijk om de betreffende ziekte gaat en zo nodig verdere maatregelen adviseren.


5.4. WANNEER SCHAKEL JE DE GGD IN?

Een van de taken van de GGD is de bestrijding van infectieziekten.
De artsen en verpleegkundigen van de GGD behandelen zelf meestal geen patiënten. Hij onderzoeken bijvoorbeeld waar iemand de ziekte heeft opgelopen, wie er nog meer besmet zijn en wat je kunt doen om te voorkomen dat er meer mensen ziek worden. Zo kan de GGD adviseren om als er een geval van hepatitis A is de andere kinderen van de groep en de leerkrachten een injectie met antistoffen tegen deze ziekte te geven.

5.4.1 Informatie

Als je meer wilt weten over een bepaalde infectieziekte kun je contact opnemen met de GGD.

5.4.2 Overleg en advies

Als er zich op het school een ziekte voordoet waarbij aangeraden wordt de ouders van de andere kinderen te waarschuwen of het zieke kind van het school te weren dan is het belangrijk om eerst te overleggen met de GGD. De GGD neemt dan met toestemming van de ouders contact op met de behandelend arts en bepaalt vervolgens of de maatregelen echt nodig zijn. Als de andere ouders geïnformeerd moeten worden, zorgt de GGD voor een standaardtekst voor een informatiebrief. De brief wordt verspreid door het school.

5.4.3 Vrijwillige melding van infectieziekten.

Directies van middelbare scholen hebben geen wettelijke verplichting om het verhoogd voorkomen van aandoeningen die vermoedelijke besmettelijk zijn te melden bij de GGD. Er kan wel op vrijwillige basis melding worden gemaakt van de volgende aandoeningen:

  • Diarree melden indien meer dan eenderde deel van de groep in één week klachten heeft.
  • Geelzucht melden bij één geval.
  • Huiduitslag (vlekjes) melden bij twee of meer gevallen binnen twee weken in dezelfde groep.
  • Schurft melden bij drie gevallen in dezelfde groep.
  • Andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectieuze aard: denk hierbij aan meerdere gevallen van bijvoorbeeld longontsteking of hersenvliesontsteking in korte tijd.

De GGD zal na een dergelijke melding onderzoeken waardoor de aandoening wordt veroorzaakt en of er maatregelen genomen moeten worden om verspreiding van de ziekte tegen te gaan.

5.5. BESCHRIJVING VAN INFECTIEZIEKTEN

AIDS Paratyfus
Buiktyfus Ziekte van Pfeiffer
Diarree Polio
Difterie Rodehond
Dysenterie Schimmelinfectie van de huid
Griep Schurft
Hepatitis A Steenpuisten
Hepatitis B Tekenbeten en ziekte van Lyme
Hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken Tetanus
Hersenvliesontsteking veroorzaakt door bacteriën (anders dan meningokokken) TBC
Hersenvliesontsteking veroorzaakt door virussen Verkoudheid
Koortslip Voetschimmel
Legionella Wratten

 

5.5.1. AIDS (HIV)

Wat is het?
AIDS is de afkorting van de Engelse woorden Acquired Immune Deficiency Syndrome, wat zoveel wil zeggen als 'een door infectie veroorzaakte verzwakking van het afweer-systeem'.
AIDS wordt veroorzaakt door een virus, het HIV (=Human Immunodeficiency Virus). Wanneer iemand met HIV geïnfecteerd wordt, is die persoon seropositief. Dit betekent niet dat hij al ziek is, maar wel dat hij het virus in het lichaam heeft. Omdat het afweersysteem van het lichaam geleidelijk wordt aangetast, krijgen allerlei ziekteverwekkers waartegen het lichaam zich normaal gesproken goed kan verdedigen de kans om toe te slaan. De patiënt kan uiteindelijk overlijden aan ziekten als diarree of longontsteking.
AIDS is nog steeds niet te genezen. Wel zijn er de laatste jaren betere behandelmethoden gekomen waardoor de ziekte kan worden geremd.

Hoe krijg je het?
Het AIDS-virus kan alleen via intiem seksueel contact en bloed-bloedcontact worden overgebracht. (Bij bloed-bloedcontact komt het bloed van de ene persoon direct in contact met het bloed van de andere persoon, bijvoorbeeld als iemand zich prikt aan een gebruikte injectienaald.) Baby's kunnen besmet raken door hun moeder tijdens de zwangerschap of bij de geboorte. Ook via moedermelk kan het virus worden overgedragen.

Hoe krijg je het niet?
AIDS krijg je niet door: huidcontact, zoenen, niezen of hoesten, zweet, tranen of braaksel, urine of ontlasting, gemeenschappelijk gebruik van glazen, borden, potloden of toilet.
Normaal sociaal verkeer levert geen besmettingsgevaar op. Neem bij twijfel contact op met de GGD.

Wat kan de school doen?

  • Er zijn geen bijzondere maatregelen noodzakelijk. De algemene hygiënemaatregelen zijn altijd van belang ongeacht of er een seropositieve persoon aanwezig is of niet.
  • Vermijd contact met bloed.
  • Dek wondjes aan de handen zoveel mogelijk af met een waterafstotende pleister.
  • Gebruik bij ongelukjes met bloed wegwerphandschoenen.
  • Ruim gemorst bloed meteen op en desinfecteer de plek met alcohol 70%.

Melding bij de GGD
Er is geen wettelijke verplichting om aids of HIV-seropositiviteit te melden.
De plaatsing van een seropositief kind op een school kan echter tot onnodige onrust leiden. De GGD kan eventueel voorlichting over de ziekte verzorgen. De privacy van het seropositieve kind dient hierbij goed bewaakt te worden.

Wering
Een HIV-positief kind hoeft niet van het school geweerd te worden.
Normaal sociaal contact levert geen gevaar op voor anderen.

Opmerkingen
De HIV-infectie en de daarbijbehorende controles en behandelingen vormen een zware emotionele belasting voor kind en ouders. Houd daar rekening mee.

5.5.2. Buiktyfus

Wat is het?
Buiktyfus is een ernstige infectieziekte die vooral voorkomt in landen waar de hygiëne slecht is. Patiënten met buiktyfus hebben deze infectie meestal in de (sub)tropen opgelopen. In Nederland komt de ziekte weinig voor. Zonder behandeling overlijdt 10 % van de patiënten.

De verschijnselen zijn:

  • in het begin soms diarree
  • na een week hoge koorts
  • ernstig algemeen ziektegevoel

Hoe krijg je het?
Meestal door het eten van besmet voedsel of door het drinken van besmet water (in het buitenland). De ontlasting van het zieke kind bevat echter ook bacteriën. Via de handen kunnen deze op anderen worden overgedragen.

Wat kan de school doen?

  • Zorg voor een goede algemene hygiëne. Vooral de hygiëne rondom het verschonen en de toiletgang de voedselbereiding en het schoonmaakonderhoud zijn belangrijk om een epidemie te voorkomen of te bestrijden.
  • Let op soortgelijke klachten bij andere kinderen. Indien er in een groep buiktyfus is geconstateerd, is het zinvol bij andere kinderen met klachten ook nader onderzoek te laten doen.Overleg hierover met de GGD.

Melding bij de GGD
Buiktyfus moet door de behandelend arts bij de GGD gemeld worden.
De GGD overlegt dan met het school over het informeren van de ouders en bron- en contactopsporing.

Wering
Kinderen met buiktyfus mogen niet naar het school komen.
Ook broertjes en zusjes die klachten hebben mogen niet komen in afwachting van de uitslag van laboratoriumonderzoek.
Het school krijgt van de GGD bericht wanneer de kinderen weer mogen worden toegelaten.

5.5.3. Diarree

Wat is het?
Diarree kan veroorzaakt worden door verschillende soorten ziekteverwekkers. Meestal gaat het om virussen, maar ook sommige bacteriën en parasieten kunnen diarree veroorzaken. Diarree is over het algemeen een onschuldige aandoening die binnen enkele dagen vanzelf weer overgaat. De huisarts laat alleen laboratoriumonderzoek verrichten als het om ernstige of langdurige diarree gaat. Voorbeelden van ziekteverwekkers die dan kunnen worden gevonden zijn: Giardia lamblia, rotavirus, Campylobacter en verschillende soorten Salmonella-bacteriën. Als er bloed bij de diarree zit, kandit op een ernstige ziekte wijzen, zoals dysenterie. Daarom moeten kinderen met bloederige diarree naar de huisarts worden verwezen voor verder onderzoek.

De verschijnselen van diarree zijn:

  • meer dan driemaal per dag waterdunne ontlasting
  • misselijkheid, braken en soms koorts

Hoe krijg je het?
De ontlasting van het zieke kind is besmettelijk. Via de handen kan de ziekteverwekker op anderen worden overgedragen. Ook kun je diarree krijgen door het eten van besmet voedsel en het drinken van besmet water.

Wat kan de school doen?

  • Informeer bij ernstige diarree de ouders van de leerling en stuur de leerling naar huis.
  • Bloed bij de ontlasting is een reden om de leerling naar de huisarts te verwijzen.
  • Neem de algemene hygiënemaatregelen goed in acht. Vooral de hygiëne rondom de toiletgang en het eten zijn belangrijk om een epidemie te voorkomen.
  • Laat bij het voorkomen van diarree de toiletten vaker schoonmaken, denk daarbij ook aan de deurknop, kraan, trekker en vloer.
  • Maak zeker als er diarree voorkomt bij het handen wassen gebruik van vloeibare zeep en papieren handdoekjes.

Melding bij de GGD
Maak een vrijwillige melding bij de GGD als er sprake is van een epidemie. Dit is het geval als meer dan eenderde deel van de groep binnen een week diarree heeft.
Neem ook contact op met de GGD als er een kind is met bloederige diarree.

Wering
Alleen bij bloederige diarree is wering noodzakelijk.
Een kind met bloederige diarree moet in elk geval thuisblijven totdat bekend is waardoor de diarree veroorzaakt wordt. Als broertjes en zusjes van een kind met bloederige diaree zelf ook klachten hebben, moeten hij ook thuisblijven.

Opmerking

  • Diarree hoeft niet altijd het gevolg te zijn van een besmettelijke ziekte. Ook voedselallergie en bepaalde darmafwijkingen kunnen tot langdurige diarree leiden.
  • Bij bloederige diaree en bij buiktyfus, paratyfus en dysenterie (= shigella-infectie) mag de leerling pas weer toegelaten worden na overleg met de GGD. In andere gevallen beslissen de ouders en de leerling zelf wanneer de leerling weer naar school kan gaan. De school bepaalt of de leerling ondanks de eventueel resterende klachten kan blijven.

5.5.4. Difterie

Wat is het?
Difterie is een infectieziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie. Er zijn verschillende vormen van difterie, de bekendste is keeldifterie. Maar ook neusdifterie en huiddifterie zijn mogelijk. Het verloop kan variëren van milde klachten tot een zeer ernstig ziektebeeld.
Inenting tegen difterie is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (DKTP). Mede daardoor komt de ziekte in Nederland tegenwoordig vrijwel niet meer voor.

De verschijnselen van difterie zijn:

  • hangerigheid en lusteloosheid
  • keelklachten en pijn bij het slikken
  • opgezette klieren en zwelling van de keel en hals
  • koorts

Complicaties:
Door slijmvlieszwelling in de keel kan zeer ernstige benauwdheid ontstaan.
Ook kan een ontsteking van het hart optreden die de dood tot gevolg kan hebben.

Hoe krijg je het?
Door nauw en langdurig contact met een besmet persoon: via direct contact zoals kussen en via de lucht door hoesten, niezen en zingen. Gewoonlijk duurt de besmettelijkheid ongeveer twee weken. Na behandeling met antibiotica is de besmettelijkheid snel voorbij.

Wat kan de school doen?

  • Neem de algemene hygiënemaatregelen goed in acht.
  • Leer kinderen hoest- en niesdiscipline aan.
  • Zorg voor goede ventilatie en het regelmatig luchten van ruimten.

Melding bij de GGD
Difterie moet door de behandelend arts bij de GGD gemeld worden.
De GGD overlegt met het school over het informeren van de ouders, bron- en contactopsporing en het aanbieden van vaccinatie aan ongevaccineerde kinderen.

Wering
Kinderen met difterie worden in de praktijk altijd in het ziekenhuis opgenomen. Overleg met de GGD wanneer het kind weer op het school mag komen.


5.5.5. Dysenterie (Shigella-infectie)

Wat is het?
Dysenterie is een ernstige vorm van diarree, die veroorzaakt wordt door Shigella-bacteriën. Patiënten met dysenterie hebben deze infectie vaak in het buitenland, onder minder goede hygiënische omstandigheden opgelopen. In Nederland komt de ziekte niet zo veel voor. Dysenterie is zeer besmettelijk, een gering aantal bacteriën is voldoende om klachten te geven.

De verschijnselen van dysenterie zijn:

  • pappige diarree, vaak met bloed- of slijmbijmenging
  • buikkrampen
  • koorts
  • algemeen ziektegevoel

In en klein aantal gevallen geeft dysenterie ernstige complicaties die kunnen leiden tot stoornissen in de bloedstolling en stoornissen in de nierfunctie.

Hoe krijg je het?
De ontlasting van het zieke kind bevat bacteriën. Via de handen en via voorwerpen komen deze bacteriën in de mond. Ook door het eten van besmet voedsel kan infectie worden veroorzaakt.

Wat kan de school doen?

  • Neem contact op met de ouders bij ernstige diarree.
  • Verwijs kinderen met bloed bij de ontlasting naar de huisarts voor verdere diagnostiek.
  • Zorg voor een goede algemene hygiëne. Vooral de hygiëne rondom het verschonen en de toiletgang, de voedselbereiding en het schoonmaakonderhoud zijn belangrijk om een epidemie te voorkomen of te bestrijden.
  • Desinfecteer alle oppervlakken die met bloederige diarree in aanraking zijn geweest, zoals bijvoorbeeld de toiletbril maar ook de trekker en kraan bij de wc.
  • Let op diarreeklachten bij andere kinderen. Indien er in een groep dysenterie is geconstateerd, is het zinvol bij andere kinderen met diarree ook nader onderzoek te laten doen. Overleg hierover met de GGD.

Melding bij de GGD
Meld diarree bij de GGD als er sprake is van een epidemie. Dit is het geval als meer dan een derde deel van de groep binnen een week diarree heeft.
Neem ook contact op met de GGD als er een kind is met bloederige diarree of als de huisarts de diagnose dysenterie heeft gesteld.

Wering
Bij bloederige diarree is wering noodzakelijk. Het zieke kind moet in elk geval thuisblijven tot de diagnose gesteld is. Als er sprake is van dysenterie moet de wering worden voortgezet tot de ontlasting geen bacteriën meer bevat. Ook broertjes en zusjes van een kind met dysenterie die diarree hebben (met of zonder bloedbijmenging) moeten thuisblijven. Overleg altijd met de GGD over het weren en weer toelaten van kinderen met dysenterie.

5.5.6. Griep (influenza)

Wat is het?
Griep is in de volksmond de benaming voor een meestal goedaardig verlopende infectie van de luchtwegen die gepaard gaat met koorts. Deze infecties kunnen door vele verschillende virussen worden veroorzaakt en duren meestal slechts enkele dagen.
Echte griep of influenza is een infectieziekte die veroorzaakt wordt door het influenzavirus.
De verschijnselen van influenza zijn:

  • hoge koorts
  • hoesten
  • hoofdpijn
  • spierpijn

De klachten duren ongeveer een week en verdwijnen spontaan. Na het doormaken van influenza kunnen nog enkele weken hoest- en vermoeidheidsklachten blijven bestaan.

Hoe krijg je het?
Het influenzavirus verspreidt zich door de lucht via kleine vochtdruppeltjes uit de neus en keel van zieke personen. Influenza treedt vaak op in epidemieën in de winter.

Wat kan de school doen?

  • Leer kinderen hoest- en niesdiscipline aan.
  • Zorg voor een goede ventilatie en lucht de ruimten regelmatig.

Melding bij de GGD
Influenza hoeft niet gemeld te worden.

Wering
Wering is niet nodig en niet zinvol.
Een kind met influenza is te ziek om het school te bezoeken.
Bovendien is influenza zo besmettelijk dat het weren van kinderen geen invloed heeft op het verloop van de epidemie.

Opmerking
Kinderen met CARA, suikerziekte of hartafwijkingen lopen meer risico op ernstige complicaties tijdens het doormaken van influenza. Daarom kunnen hij (evenals volwassenen met deze aandoeningen) tegen griep worden gevaccineerd. Deze vaccinatie moet jaarlijks herhaald worden en helpt alleen tegen de echte influenza.

5.5.7. Hepatitis A (geelzucht)

Wat is het?
Hepatitis A (besmettelijke geelzucht) is een ontsteking van de lever die veroorzaakt wordt door een virus. De ernst van de ziekte neemt toe met de leeftijd. Onder de leeftijd van 6 jaar vertoont het kind niet altijd alle ziekteverschijnselen. Bij jonge kinderen kan de infectie zelfs geheel onopgemerkt verlopen. Hepatitis A komt vooral veel voor in landen waar de hygiënische omstandigheden minder goed zijn. Maar ook in Nederland komt de ziekte nog regelmatig voor.
De verschijnselen van hepatitis A zijn:

  • koorts
  • gebrek aan eetlust
  • misselijkheid
  • pijn rechts in de bovenbuik
  • moeheid
  • na een paar dagen worden het oogwit en de huid geel
  • de urine krijgt een 'cola-achtige' kleur
  • de ontlasting ontkleurt, lijkt op stopverf

Er is geen behandeling mogelijk, de ziekte gaat vanzelf over. Wel is het mogelijk om de ziekte te voorkomen door vaccinatie of het toedienen van een injectie met antistoffen.

Hoe krijg je het?
Het virus zit in de ontlasting van het zieke kind. De infecties verlopen via hand-mondcontact.
Door het eten van besmet voedsel, het drinken van besmet water, maar ook door onvoldoende toilethygiëne kan via de handen besmetting veroorzaakt worden. Het kind is besmettelijk voor andere kinderen vanaf een week vóór tot een week ná het geel worden. Na besmetting duurt het twee tot zes weken voor de ziekteverschijnselen ontstaan.

Wat kan de school doen?
Zorg voor een goede algemene hygiëne. Vooral de hygiëne rondom de toiletgang en het eten zijn belangrijk om een epidemie te voorkomen of te bestrijden.

Melding bij de GGD
Maak een vrijwillige melding bij de GGD als er sprake is van een geval van geelzucht.
Ook gevallen van geelzucht onder het personeel moeten worden gemeld!

Wering
Indien er op een basisschool een kind of leerkracht hepatitis A heeft, moet deze persoon thuisblijven tot een week na het ontstaan van de geelzucht. Hepatitis A kan op basisscholen tot langdurige epidemieën leiden onder leerlingen en hun ouders. Het tijdelijk weren van zieke kinderen levert een bijdrage aan het beperken van het probleem.

Opmerkingen
Om verspreiding van de ziekte tegen te gaan, kan de GGD adviseren om alle kinderen en leerkracht van de groep waarin hepatitis A voorkomt een injectie met antistoffen of een vaccinatie te geven.

5.5.8. Hepatitis B (geelzucht)

Wat is het?
Hepatitis B is een ontsteking van de lever, welke veroorzaakt wordt door een virus (een ander type virus dan bij hepatitis A). De ziekte kan zes weken tot zes maanden duren en gaat meestal vanzelf over. Een kleine groep mensen blijft het virus echter bij zich houden - dit zijn dragers. Hij kunnen zolang ze het virus bij zich dragen steeds weer andere mensen besmetten. Hepatitis B kan zowel met als zonder ziekteverschijnselen verlopen.
De verschijnselen van hepatitis B zijn:

  • lichte koorts en moeheid gedurende enkele weken kunnen de enige klachten zijn
  • pijn rechts in de bovenbuik
  • misselijkheid
  • soms geelverkleuring van oogwit en huid
  • de urine krijgt een 'cola-achtige' kleur
  • de ontlasting ontkleurt, lijkt op stopverf

Na genezing bestaat een levenslange immuniteit.

Hoe krijg je het?
Het hepatitis B-virus kan via bloed-bloedcontact en via onbeschermd seksueel contact worden overgebracht. Baby's kunnen besmet raken door hun moeder tijdens de geboorte. (Bij bloed-bloedcontact komt het bloed van de ene persoon direct in contact met het bloed van een andere persoon, zoals bij het zich prikken aan een gebruikte injectienaald.)

Hoe krijg je het niet?
Hepatitis B krijg je NIET door: huidcontact, zoenen, niezen of hoesten, zweet, tranen of braaksel, urine of ontlasting, gemeenschappelijk gebruik van glazen, borden, potloden of toilet.

Wat kan de school doen?
De algemene hygiënemaatregelen zijn altijd van belang ongeacht of er een bekende hepatitis B-drager aanwezig is of niet.
Probeer contact met bloed te vermijden.
Dek wondjes aan de handen af met een waterafstotende pleister.
Ruim gemorst bloed meteen op (met handschoenen aan) en desinfecteer de plek met alcohol 70%.
Voorkom indien er op school tanden gepoetst worden gezamenlijk gebruik van tandenborstels, er kunnen bloedresten op aanwezig zijn.

Melding bij de GGD
Naak een vrijwillige melding bij de GGD als er sprake is van een geval van geelzucht.
Ook gevallen van geelzucht onder het personeel moeten worden gemeld!

Wering
Een kind met hepatitis B hoeft niet van de school of peuterspeelzaal geweerd te worden. Normaal sociaal contact op een school geeft geen risico op besmetting.

Opmerkingen

  • Vaccinatie is mogelijk om de ziekte te voorkomen. Baby's van moeders die drager van hepatitis B zijn, worden direct na de geboorte gevaccineerd.
  • Als er een kind drager blijkt te zijn, kun je overleggen met de GGD. Meestal zijn er geen extra maatregelen noodzakelijk.
  • Overleg bij bloed-bloedcontact altijd met de GGD.

5.5.9 Hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken

Wat is het?
Hersenvliesontsteking is een ziekte waarbij, zoals de naam al zegt, de vliezen om de hersenen (en het ruggenmerg) worden aangetast. Allerlei verschillende virussen en bacteriën kunnen hersenvliesontsteking veroorzaken. Een ernstige vorm van hersenvliesontsteking wordt veroorzaakt door de meningokok.

De verschijnselen van een meningokokken-hersenvliesontsteking zijn:

  • plotselinge hoge koorts
  • hoofdpijn en misselijkheid
  • lichtschuwheid
  • sufheid
  • nekstijfheid: dit is een pijnlijke en stijve nek bij het vooroverbuigen van het hoofd. Kenmerkend hierbij is dat de kin niet op de borst kan worden gebracht
  • luierpijn: baby's beginnen te huilen als ze bij het verschonen opgetild worden aan de beentjes
  • soms ontstaat er bloedvergiftiging. Bloedvergiftiging is herkenbaar aan kleine niet-wegdrukbare bloedinkjes in de huid, ter grootte van een speldenknop. Dit is een teken van zeer ernstige ziekte.

Omdat een meningokokkeninfectie in de loop van enkele uren levensbedreigend kan worden, is snelle diagnose en behandeling met antibiotica van groot belang.

Hoe krijg je het?
De bacterie verspreidt zich door de lucht via hoesten. De meeste kinderen hebben echter voldoende weerstand tegen de ziekte. Ongeveer 1 op de 5 à 10 personen draagt meningokokken zelfs bij zich in de neus, zonder dit te weten en zonder ziek te worden. Waarom sommige kinderen wel ziek worden is niet bekend. Het komt in de praktijk zelden voor dat er in een groep meer dan één kind ziek wordt.

Wat kan de school doen?
Neem bij nekstijfheid, bloedvergiftiging of bewusteloosheid onmiddellijk contact op met de huisarts of eerste hulp. Wacht niet tot de ouders komen!
Kinderen met hersenvliesontsteking zijn ernstig ziek. Neem als een kind in de klas ziek wordt altijd contact op met de ouders en vraag om het kind op te komen halen. Neem bij tekenen van nekstijfheid, bloedvergiftiging of bewusteloosheid onmiddellijk contact op met de huisarts of eerste hulp. (De meeste kinderen zullen reeds thuis zijn voor dat deze ernstige verschijnselen optreden).
Om verspreiding van de meningokokken tegen te gaan zijn algemene hygiënemaatregelen van belang:

  • Hoest- en niesdiscipline
  • Zorg voor ventilatie en het regelmatig luchten van ruimten.

Melding bij de GGD
Overleg met de GGD over het informeren van de overige leerlingen en hun ouders.
Een geval van hersenvliesontsteking brengt vaak veel onrust teweeg.

Wering
Wering is niet nodig en niet zinvol.
Een kind met hersenvliesontsteking is te ziek om het school te bezoeken.
Contact met meningokokken is bovendien niet te vermijden omdat een aanzienlijk deel van de mensen de bacterie bij zich draagt in de neus. Ook broertjes en zusjes van het zieke kind mogen gewoon naar het school komen.

Opmerking
Omdat gezinsleden van een patiënt een hoger risico lopen om ook ziek te worden, krijgen zij een korte antibioticakuur. Voor groepsgenoten in het school is geen verhoogd risico aangetoond.